Skiednis

ontstaan in de middeleeuwen

Geschiedenis

De naam Ried is afgeleid van het water de Rie, dat letterlijk ‘waterloop’ betekent. In oude oorkonden uit de dertiende eeuw duikt het dorp al op onder verschillende namen: Riedt, Rede, Rydt, Reed en uiteindelijk Ried. Toch gaat de geschiedenis veel verder terug. Rond het begin van de jaartelling leefden de eerste bewoners van veeteelt, visvangst en een beetje landbouw.

De stijgende zeespiegel dwong hen regelmatig hun woonplaatsen op te hogen. Zo ontstonden de terpen. Overstromingen brachten vruchtbare klei mee, waardoor de landbouwgrond rijk werd, maar de Rie tegelijk smaller. Met de aanleg van dijken rond het jaar 1000 nam de kans op overstromingen sterk af en konden mensen zich ook buiten de terpen vestigen.

Rond 1300 kreeg de dorpsterp een kerk. Lange tijd bestond Ried uit deze kerk en enkele tientallen verspreide boerderijen. Via drie opvaarten stond het dorp in verbinding met de Rie; de middelste eindigde bij het kerkhof en werd de haven genoemd.

Groei van het dorp


Het huidige kaatsveld was vroeger bouwland en werd rond 1905 ingericht voor de sport die het dorp nog steeds kleur geeft. In dezelfde periode werden nieuwe straten en woningen gebouwd. Zo kwamen tussen 1897 en 1916 de Berlikumerweg en de Zevenhuisterweg tot stand. Rond 1910 volgde de Pastorielaan, met arbeiderswoningen voor het personeel van de zuivelfabriek.

Na 1950 groeide Ried verder met huizen aan de Peinserweg, Nieuweweg en Vitus Ringerstraat. Rond 1980 kwamen er woningen aan de Rombade en huurhuizen aan de Berlikumerweg, en eind jaren negentig volgde de wijk Suderom. Inmiddels liggen er plannen klaar voor Suderom 2.

Een belangrijke ingreep in het dorpsbeeld was de aanleg van de haven It Kattegat in 1987, samen met het naastgelegen bos. Ook de Lageweg kreeg rond 2000 nieuwe woningen. Zo groeide Ried uit tot het dorp dat het vandaag is: groen, levendig en verbonden met zijn rijke verleden.
 

Leven en werk in vroegere tijden


Halverwege de negentiende eeuw telde Ried zo’n 160 inwoners. Naast boeren en arbeiders waren er een dominee, een bakker, een timmerman, een wagenmaker, een rijksontvanger die ook lesgaf, een smid en een schoenmaker. De vruchtbare kleigrond leverde rijke oogsten op van tarwe, rogge, gerst, koolzaad, vlas en aardappelen. Veeteelt zorgde voor een tweede belangrijke inkomstenbron.

Wanneer het dorp precies een school kreeg, is niet helemaal duidelijk, maar al in 1623 was er een schoolmeester actief. In 1871 waren er 79 leerlingen. Rond 2005 telde de school ruim 100 leerlingen en in 2025 telt de school vijftig leerlingen.

In 1889 werd op de hoek van de Hoofdweg en de Havenstraat een huis aangekocht om er een coöperatieve boterfabriek te vestigen, een van de eerste in Friesland. De fabriek sloot in 1935. Een andere belangrijke onderneming was de steenfabriek die van 1857 tot 1916 langs de huidige Nieuweweg stond. Hier werden gele en rode bakstenen gebakken. Deze stenen zijn nog altijd terug te zien in veel huizen: vaak met een rode gevel en gele zijkanten.